“Voor vermaatschappelijking van de zorg is méér nodig dan een eigen huis” 08-02-2010 “Mensen met chronische psychiatrische problemen of een verstandelijke handicap worden te veel aan hun lot overgelaten als zij, na hun verblijf in een inrichting, zelfstandig in een stadswijk gaan wonen. Beleidsmakers denken te gemakkelijk dat het vanzelf goed zal gaan, als zij éénmaal een eigen woning hebben. Terwijl het uitgangspunt van de vermaatschappelijking van de zorg is dat de zorg voor deze kwetsbare mensen zoveel mogelijk in en door de maatschappij gebeurt.” Aan het woord is Loes Verplanke, onderzoeker bij de afdeling Sociologie en Antropologie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Bovenstaand citaat is één van de conclusies uit het boek ‘Onder de mensen? Over het zelfstandig wonen van psychiatrische patiënten en mensen met een verstandelijke beperking’, dat zij samen met professor Jan Willem Duyvendak schreef. De onderzoeksvraag ging over de vraag hoe mensen, die eerst lang groepsgewijs in een inrichting hebben geleefd, het vinden om weer op zichzelf ‘onder de mensen’ te wonen. In het onderzoek stond de wisselwerking tussen twee grote beleidsoperaties centraal: het proces van vermaatschappelijking van de zorg en herstructureringsingrepen in na-oorlogse stadswijken. Uniek onderzoek Uniek aan het onderzoek is dat de belevenissen van de mensen, op wie het vermaatschappelijkingsbeleid zich richt, een prominente plaats innemen. Verplanke: “De vermaatschappelijking van de zorg is op deze manier niet eerder bekeken. We hebben diepgaande interviews met ongeveer zeventig mensen uit vier verschillende steden gehouden. In deze interviews kwam naar voren hoe ze in de buurt terecht zijn gekomen en hoe ze zich daar voelen.” De onderzoeksbuurten voldeden aan de volgende drie criteria: ze verkeerden in een verschillende fase van herstructurering, ze varieerden naar grootte en ligging in het land en in de buurt zijn voldoende grootschalige inrichtingen van waaruit mensen naar de stad konden verhuizen. Omdat de onderzoeksgroep over het algemeen niet veel geld heeft en herstructureringsbuurten veel woningen met lage huren herbergen is gekozen voor de combinatie fysiek (herstructurering) en sociaal (vermaatschappelijking). “We verwachtten dat deze groep mensen relatief vaak in dit soort buurten terecht zou komen. We vroegen ons onder meer af hoe zij de onrust, die herstructurering met zich meebrengt, zouden ervaren”, aldus Verplanke. Fysieke kant Verplanke verklaart dat de fysieke kant van het onderzoek uiteindelijk niet helemaal uit de verf is gekomen. “De buurt bleek veel minder doorslaggevend voor de ervaringen van de bewoners dan wij hadden gedacht. Sommige mensen waren zich er niet eens van bewust dat ze in een herstructureringswijk woonden. Dat komt omdat veel van hen weinig contact hebben met de hen omringende buurt. Ze gaan niet met andere bewoners om en trekken er weinig op uit in de nieuwe buurt. Toch is er, voor wat betreft het type buurt, binnen de groep geïnterviewden wel enig verschil te zien”, vertelt Verplanke. “De groep psychiatrische patiënten vinden het prettig om niet in een al te keurige buurt te wonen. In een buurt met een ‘rafelrandje’ hebben zij het gevoel dat ze minder opvallen. Voor de groep met een verstandelijke beperking gaat dit veel minder op. Over het algemeen voelen zij zich veiliger in een rustige buurt, het liefst wonen zij in een vertrouwde omgeving met familie in de buurt.” Sociale kant Verplanke en Duyvendak zijn tot de conclusie gekomen dat beleidsmakers vaak te makkelijk aankijken tegen het zelfstandig wonen van kwetsbare mensen. “Er wordt te vaak gedacht ‘als mensen éénmaal ergens een eigen woning hebben, komt het wel goed’. Maar voor vermaatschappelijking van de zorg is meer nodig dan alleen een eigen huis”, volgens Verplanke. “Kwetsbare mensen, zoals onze geïnterviewden, hebben vaak een klein sociaal netwerk en zijn niet gewend om uit zichzelf nieuwe contacten te leggen. Daardoor hebben zij nauwelijks contact met hun buurtgenoten. Bij het wonen krijgen ze begeleiding van iemand van de zorg, die verder los staat van de buurt en ook niet de tijd heeft om er samen met zijn of haar cliënt op uit te gaan”, vertelt Verplanke. Ze voegt eraan toe dat dit niet wil zeggen dat de geïnterviewden ongelukkig zijn over hun situatie. “Ze zijn vrijwel allemaal blij met het zelfstandig wonen. Maar een aantal voelt zich wel vaak eenzaam, vooral als ze wat verder weg van hun familie terecht gekomen zijn”, aldus Verplanke. Aanbevelingen Loes Verplanke en Jan Willem Duyvendak doen verschillende aanbevelingen aan gemeenten en zorg- en welzijnsinstellingen. “Het is belangrijk dat de bewoners van een buurt beter voor worden bereid op de komst van mensen met een beperking naar hun buurt. Zorg en welzijn zouden hierin veel meer met elkaar kunnen samenwerken en op die manier ‘kwartier kunnen maken’. Een andere aanbeveling is om vooral de groep mensen met verstandelijke beperkingen huisvesting aan te bieden in een buurt waar ze zich al een beetje vertrouwd voelen en waar ook familie woont. Daarnaast is het een goed idee om te zorgen dat er een soort inloopcentrum komt waar mensen met een verstandelijke beperking of psychiatrische patiënten elkaar kunnen ontmoeten. Een goed voorbeeld is het inloopcentrum ‘Spreeuwenpark’ in de Vogelbuurt in Amsterdam Noord. Voor de mensen met een verstandelijke beperking die in deze buurt wonen is het Spreeuwenpark een veilige en vaak gezellige plek. Tegelijkertijd is het nadeel van een inloopcentrum voor de ‘eigen groep’ dat het een soort eilandje wordt, los van de buurt er omheen. De nieuwe bewoners zullen dan nog minder geneigd zijn om zich onder de andere buurtbewoners te mengen in bijvoorbeeld een buurtcentrum”, zegt Verplanke. Maar, besluit Verplanke, ook in dit opzicht zou veel meer samenwerking tussen zorg, dat meestal het inloopcentrum runt, en welzijn, het buurtcentrum, in een buurt heilzaam zijn. Vervolg Op het moment werkt Verplanke mee aan een groot onderzoek naar het functioneren van de Wet Maatschappelijk Opvang (Wmo), dat ‘Leren participeren’ heet. Hierbij werken tien verschillende gemeenten, Nicis Institute en onderzoekers van de UvA samen. Zowel het (leren) participeren van verschillende groepen burgers als diverse gemeentelijke praktijken, die participatie proberen te stimuleren, zullen in dit meerjarige onderzoek intensief gevolgd worden. Verplanke zelf richt zich op pogingen om, met ‘achter de voordeur’ interventies, in contact te komen met geïsoleerde en ‘zorgmijdende’ mensen in vier verschillende gemeenten: Amsterdam, Utrecht, Zwolle en Amersfoort. Ook onderzoekt ze of het lukt om ook deze mensen te ‘leren participeren’. De onderzoekers hopen het onderzoek eind 2012 af te ronden. Bron: Philo L. van Lenning, Nicis Institute LinksContactgegevens Loes Jansen Verplanke op de website van de UvABekijk de publicatie in de webwinkel van Nicis InstituteBestel de publicatie 'Onder de mensen' via de website van het AUPLees de column van prof. dr. Evelien Tonkens in de Volkskrant over dit onderwerp terug |





