“Een zooitje ongeregeld”
“Wees als gemeente een warme coach voor alternatieve dienstverleners als de mandolinevereniging of het Turkse koor.” Aan het woord is Klaas Mulder, senior adviseur bij Laagland Advies. Hij publiceerde onlangs - bij KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing - het boekje ‘Een zooitje ongeregeld. Prestaties verbeteren zonder subsidie of contract’ .
Wat bedoelt u precies met een ‘zooitje ongeregeld’?
“Dat zijn de partijen die diensten leveren zonder een contract
met de overheid. Al die partijen bij elkaar noem ik een zooitje
ongeregeld op het terrein van welzijn, cultuur, wonen, sport en
zorg. Denk daarbij aan de particuliere huisbaas, de moskee of de
biljartvereniging. Juist in tijden van economische schaarste zouden
gemeenten veel meer van deze wereld van niet-gesubsidieerde
uitvoerders gebruik moeten maken. Het resultaat zou moeten tellen,
namelijk dat burgers goed in hun vel zitten. Nu is de begroting en
wie er geld krijgt van de gemeente leidend. Dat is doodzonde.”
Hoe kunnen gemeenten meer gebruik maken van die alternatieve uitvoerders, hoe moeten zij dat aanpakken?
“Je moet het zooitje ongeregeld niet helemaal loslaten en de
initiatiefnemers hun eigen boontjes verder laten doppen, want dan
wordt de kwaliteit van het aanbod wellicht te laag. Maar je moet
het zooitje ook niet helemaal proberen te regelen; de gulden
middenweg zoeken dus. Stimuleer mensen om het beter te doen maar
niet door er pseudo-professionals ervan te maken. Als je probeert
het zooitje in een formeel jasje te gieten, dan loop je het risico
dat je het kapot maakt. Mensen haken af als ze opeens een
jaarverslag in vijfvoud moeten aanleveren. Er ligt een meer
faciliterende en begeleidende rol voor de gemeente.”
Hoe ziet die rol van de gemeente er dan concreet uit, bijvoorbeeld voor de sector welzijn?
“Als je kijkt naar de verschillende informele aanbieders die er
zijn op het gebied van kinderwerk (vrijwilligers van
sportverenigingen et cetera) dan blijkt dat zij niet altijd weten
hoe zij bijvoorbeeld twaalf kinderen zonder ruzie kunnen laten
voetballen. In zo’n geval zou de gemeente vraagbaak moeten zijn
voor iemand die op woensdagmiddag voetbal met kinderen wil
organiseren. De gemeente moet als coach optreden, waardering tonen
en zeker niet loslaten en zeggen: met niet-gesubsidieerde
initiatieven hebben wij niets te maken, of: wat wij niet betalen,
bestaat niet. Dan laat je enorme kansen liggen. Bovendien kun je op
die manier het werk van de ambtenaar veel leuker maken. Het is toch
veel prettiger om een stad te besturen als coach dan als een soort
controleur die achter jaarverslagen aanzit en subsidieaanvragen
afwijst.”
Is er een gemeente die de faciliterende en coachende rol al regelmatig op zich neemt?
“Jazeker. Met name de kleinere gemeenten met een enorm
verenigingsleven doen dat eigenlijk al vanzelf. Daar kijkt de
gemeente vaak met waardering en aandacht naar allerlei initiatieven
zonder direct de portemonnee te trekken. Toch zijn er grote
verschillen tussen gemeenten op dat gebied. Amersfoort is in mijn
ogen wel een voorbeeldgemeente. Daar is de gemeente zeer goed in
het faciliteren en coachen. Succesvol is bijvoorbeeld de rondvaart
door de oude binnenstad in Amersfoort, genaamd De Waterlijn. Dat is
een initiatief van een paar senioren die zich graag nuttig wilden
maken voor de stad. Met een hele grote groep vrijwilligers zorgt de
Waterlijn niet alleen voor de reguliere stadsbezichtiging, maar ook
voor allerlei thematochten met aandacht voor cultuur en natuur. De
initiatiefnemers wilden geen subsidie, maar waren wel blij met het
aanbod van de gemeente om een kade aan te leggen om af te meren.
Ook liet de gemeente een marktonderzoek uitvoeren, waarmee de
stichting zelf kon nadenken over vernieuwende activiteiten. Dat
gebeurde zonder enige druk vanuit het gemeentehuis, en dat hoeft
ook niet, als mensen zelf gemotiveerd genoeg zijn.”
Zijn er ook gemeenten die het juist ‘slecht doen’ op dit vlak?
“Ja, veel gemeenten willen er zelfs niets mee te maken hebben.
Dat is met name het geval bij de sector Jeugd en Gezin. Daar zie je
opvallend weinig doorverwijzingen naar informele aanbieders. Met
name in het sociale domein is er sprake van angst voor het zooitje.
Bijvoorbeeld consultatieartsen van de GGD vinden het moeilijk om
iemand te wijzen op een volkstuin of kookclubje, terwijl iemand
daar juist heel veel aan kan hebben. Toch durven zij alleen maar
door te verwijzen naar professionals, omdat zij dan een
kwaliteitsgarantie hebben. In het domein van de armoedebestrijding
is dat heel anders. Daar durven consulenten wel buiten formele
instellingen om te werken.”
In uw publicatie beschrijft u een ‘regiekoffer’ vol instrumenten die de kwaliteit van het totale dienstverleningsaanbod kan verbeteren, onder meer: ‘het beleid wordt gefundeerd in kennis van het hele veld van aanbieders.’ Kunt u dit toelichten?
“Bijvoorbeeld met betrekking tot jeugdbeleid: zet als gemeente
alle clubs voor kinderen op een rijtje, inclusief de pooltafel. Je
kan uiteraard niet om de professionals heen, maar noem álle
accommodaties waar welzijnsachtige zaken gebeuren. Gemeenten hebben
daar vaak nauwelijks zicht op en houden er daarom in het beleid
onvoldoende rekening mee. Nodig bij interactieve beleidsvorming -
en dat is tevens een van de andere instrumenten in de regiekoffer -
naast consumenten en professionals heel nadrukkelijk ook de
‘informele co-producenten’ uit. Dat is bijvoorbeeld onlangs gebeurd
in de gemeente Tiel, door de directie Wonen en Zorg. Op ons
aanraden heeft de gemeente ook de buurtvereniging en de Turkse
ouderenclub uitgenodigd voor een informatieve bijeenkomst, om uit
te wisselen welke initiatieven er zijn en wie wat doet. Deze enkele
bijeenkomst leidde al tot een compleet nieuw palet aan vraag en
aanbod.”
Wat hoopt u met deze publicatie te bereiken?
“Ik hoop dat gemeenten geïnspireerd raken om ondanks minder
financiële middelen, actief en voortvarend aan de slag te gaan om
de kwaliteit van leven van burgers op peil te houden. Als het flink
minder moet, zet dan alles op alles om alle andere troeven maximaal
in te zetten. Wees als gemeente een warme coach voor alternatieve
aanbieders als de mandolinevereniging of het Turkse koor.”
Bron:
Simone Ketelaars, Nicis Institute
Fotograaf: Yvonne Manders
Referentiemateriaal
-
Publicatie KEI | Een zooitje ongeregeld
19 jan 2011, pdf, 290KB