'Zweer tweedeling in beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs af'
Het beeld van het voorbereidend middelbaar beroeps onderwijs (vmbo) is niet positief. Vanuit de media krijg je de indruk dat het bevolkt wordt door kinderen met een slechte opvoeding, een taalachterstand en een agressieve houding. Het lijkt alsof het leeuwendeel gedoemd zou zijn om in de maatschappij te mislukken. Zonder gène wordt het vmbo het ‘afvalputje’ van het onderwijs genoemd. Het lijkt slechts een detail, maar dat zogenaamde afvalputje is de plek waar meer dan de helft van de basisschoolleerlingen in terechtkomt. Nicis Institute sprak met Rineke van Daalen, auteur van het boek ‘Het vmbo als stigma’, om te achterhalen waar dit slechte imago vandaan komt.
Kinderen lijden onder het slechte imago
De sociologe verbaast zich al lange tijd over het – licht
karikaturale - beeld van vmbo-scholieren. Van Daalen: “In de media
komt dé vmbo-leerling naar voren als iemand met beperkte cognitieve
vermogens, niet in staat zich lang te concentreren en onbeheerst.
Kinderen lijden daar onder. Ik las in de krant een citaat van een
scholier die dat goed verwoordde. Hij vertelde liever niet aan
anderen dat hij op het vmbo zat: “Omdat veel mensen dan denken:
allochtonen, taalachterstand, agressiviteit, criminelen”.
Eenzijdige cognitieve standaard in het onderwijs
Die karakterisering wordt dan verbonden met lage scores op
de Cito-toets. Het vmbo lijdt er onder dat in het onderwijs slechts
één standaard maatgevend is, de nogal eenzijdige cognitieve
standaard. Alles draait om lezen, schrijven en rekenen. Op die
smalle basis worden kinderen vanaf hun vierde jaar beoordeeld en
geselecteerd.
Lager beroepsonderwijs heeft een buitenstaanderpositie
Vanwege zijn praktische karakter heeft het lager
beroepsonderwijs in de negentiende eeuw vorm gekregen buiten het
secundaire onderwijs dat door de overheid werd gereguleerd. Het was
onderwijs dat op de werkvloer werd gegeven, in de fabriek, in
kantoren, en de verantwoordelijkheid daarvoor werd naar het
particulier initiatief doorgeschoven. De hele twintigste eeuw
hebben beleidsmakers geprobeerd om die buitenstaanderpositie van
het lager beroepsonderwijs ongedaan te maken, maar echt gelukt is
dat nooit. Wat na de Tweede Wereldoorlog beter lukte, is het
ontwikkelen van talentvolle arbeiderskinderen.
Tweedeling tussen beroepsgericht en algemeen vormend onderwijs
De Mammoetwet van 1968 was de belangrijkste
stelselwijziging met dat doel. Talent uit alle sociale klassen
moest de ruimte krijgen. Het onderwijs had daarin een opdracht:
gelijke kansen voor iedereen. En dat kwam neer op uitstel van
keuzen en van selectie na de basisschool. Maar de hiërarchische
tweedeling tussen beroepsgerichte en algemeen vormende opleidingen
bleef van hoog tot laag bestaan en bleek bijzonder hardnekkig.
Beroepsgerichte opleidingen worden tot op de dag van vandaag minder
hoog gewaardeerd dan algemeen vormende opleidingen; traditioneel
krijgen ze minder aandacht en dat is helaas zo gebleven.
Waarderingsschaal demotiveert jongeren
Die waarderingsschaal zorgt er ook voor dat
vmbo-leerlingen gedemotiveerd raken. Ze zijn er van overtuigd dat
ze in ‘theoretisch’ opzicht niet zo veel waard zijn. Ze maken zich
daar wel zorgen over, maar velen hebben te weinig motivatie om zich
met volle overgave in te zetten. Tegelijkertijd zijn leerlingen
weinig toekomstgericht en hebben ze een beperkt beeld van ‘het
leven na het vmbo’, van hun mogelijkheden op het middelbaar
beroepsonderwijs (mbo) en de arbeidsmarkt. Die toekomst is
veelzijdiger dan het imago van het vmbo suggereert, maar scholen
besteden daar weinig aandacht aan.
‘Meer aandacht voor het beroepsonderwijs’
De problemen van het vmbo zijn een kluwen die zich niet goed laat ontwarren. Die geworteld zijn in de manier waarop het onderwijsbouwwerk in elkaar is gezet, maar die ook geworteld zijn in culturele noties waarbij het hoofd niet alleen wordt losgemaakt van de handen, maar ook nog eens op een voetstuk wordt geplaatst. Het zou goed zijn als er meer aandacht kwam voor het beroepsonderwijs, bij beleidsmakers en in de media. Over de tweedeling in beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs zou een breed maatschappelijk debat moeten worden gevoerd. Is die tweedeling niet totaal achterhaald en moet zij niet afgezworen worden? Deze vraag is extra relevant, nu de ‘kenniseconomie’ steeds meer gedefinieerd dreigt te worden als een economie die uitsluitend gestoeld is op cognitief talent.”
Rineke van Daalen is sociologe aan de Universiteit van Amsterdam. Haar boek ‘Het vmbo als stigma’ is te bestellen via de link in de rechterkolom.
Bron:
Nicis Institute, Sean van der Steen
Zie ook
Referentiemateriaal
-
Website | 'Het vmbo als stigma' bij uitgeverij Augustus
31 maart 2011 11:19