Direct naar Hoofdmenu / Zoekveld

Burgers maken hun buurt, participatie maakt burgers

“Bewoners zijn vaak positief over het meedoen aan burgerinitiatieven – ze vinden dat ze er heel veel van leren. Voor een succesvol burgerinitiatief zouden gemeenten zich wel meer bewust moeten worden van het belang van hun rol.” Aan het woord is Evelien Tonkens, hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam en betrokken bij het Nicis-onderzoek ‘Burgers maken hun buurt’.

Participerende lager opgeleiden gaan op hoger opgeleiden lijken

In Leiden is een deelonderzoek opgezet om een beeld te krijgen van de praktijk van de participatie en de problemen die zich daarbij voordoen. Tonkens noemt enkele belangrijke elementen die uit het Leidse onderzoek zijn gekomen. Al langer is bekend dat hoger opgeleiden meer sociaal vertrouwen hebben, meer vrijwilligerswerk doen en meer interesse in politiek hebben dan lager opgeleiden. “Opvallend is dat lager opgeleiden, wanneer zij actief zijn, in deze opzichten gaan lijken op hoger opgeleiden. Actief burgerschap lijkt dus een route naar meer vertrouwen en meer participatie”, vertelt Tonkens.

Fysieke gelijkenis niet noodzakelijk voor goede vertegenwoordiging

Tonkens: “Een veelvoorkomende klacht is dat actieve bewoners niet representatief zijn. Gemeenten, woningcorporaties en andere organisaties denken vaak ‘die actieve bewoners, dat zijn allemaal dezelfde mensen, dat is geen goede vertegenwoordiging van de bewoners. Dus hoeven we ze niet zo serieus te nemen’. Zij gaan dan uit van descriptieve representatie: lijken de actieve bewoners fysiek op de mensen die ze vertegenwoordigen? De bewoners blijken formele representatie echter belangrijker te vinden, namelijk of mensen gekozen zijn. Ook symbolische representatie vinden zij belangrijk: het gevoel dat hun standpunten goed vertegenwoordigd worden. Voor een 28-jarige Turkse vrouw is het, bij wijze van spreken, geen probleem om vertegenwoordigd te worden door een 55-jarige witte man, als hij maar weet wat zij belangrijk vindt en als zij hem maar heeft kunnen kiezen.”

Gemeenten onderschatten hun rol

“Verder valt op dat gemeenten bij de ondersteuning van burgerparticipatie nog erg zoeken naar hun rol, meer activerend, meer faciliterend. Vaak onderschatten ze hoe belangrijk ze voor de burger zijn. Op de vraag ‘wie is je belangrijkste hulpgever’ antwoordde 74 procent van de actieve Leidenaren: de gemeente. Andere organisaties worden veel minder genoemd”, aldus Tonkens.
Gemeenten zouden zich actiever moeten opstellen, vindt de hoogleraar. Interesse, subsidie, discussie en advies zijn de zaken die actieve bewoners het meest van hen verwachten of nodig hebben. “Interesse is een heel belangrijke factor, en dat is ook logisch als je bedenkt dat burgers zich vaak bewegen op het gebied van de gemeente, bijvoorbeeld in groenonderhoud en het verbeteren van de fysieke omgeving. Bij discussie valt op dat gemeenten vaak denken, laten we ons er niet te veel mee bemoeien, laat die burgers vooral wat doen. Terwijl de burgers juist zeggen: we willen wel wat doen, maar we willen het niet alleen doen. En we willen ook met de gemeente in gesprek blijven.”

Belangrijk: nadenken hoe je overkomt op de ander

Een belangrijk kenmerk voor succesvolle interacties is sociale reflexiviteit: je bewust zijn van je eigen gedrag binnen contacten met anderen. Hoger opgeleiden zijn daar vaak beter in dan lager opgeleiden. In het onderzoek kwam naar voren dat medewerkers van de gemeente, woningcorporaties en het opbouwwerk opvallend genoeg ook weinig sociale reflexiviteit tonen. Dit bemoeilijkt de samenwerking, vooral bij lager opgeleiden. Tonkens: “Het zou veel schelen als deze medewerkers zich meer bewust worden van hoe zij overkomen op de burger. Dit geldt vooral wanneer de samenwerking niet zo goed loopt. Bedenk dan dat het niet alleen aan de ander ligt (‘heeft zich vast niet goed voorbereid’), maar zoek het ook bij jezelf (‘misschien kwamen we wat intimiderend over’). Als je zelf altijd denkt dat het niet aan jezelf ligt, dan kun je nooit veel veranderen.”

Aanbeveling: één ambtenaar voor elk burgerinitiatief

Op de vraag waar de gemeente concreet bij zou kunnen helpen antwoordt Tonkens: “Mensen weten vaak niet goed bij wie ze moeten zijn. Een oplossing daarvoor zou zijn dat ieder burgerinitiatief een contactambtenaar krijgt, die helpt om door die ingewikkelde bureaucratie van zo’n gemeente heen te komen. Iemand die mensen direct kan doorverwijzen naar de juiste persoon, in plaats van dat zij 50 keer doorgestuurd worden. Dat is beter dan wanneer je binnen de gemeente 1 persoon verantwoordelijk maakt voor alle burgerinitiatieven. Het nadeel daarvan is namelijk dat de rest zich er dan niet meer verantwoordelijk voor voelt.”

Burgerparticipatie: niet eenvoudig, wel de moeite waard

Gemeenten moeten burgerinitiatieven niet willen vanuit de gedachte ‘we moeten bezuinigen dus we leggen wat taken bij de burger, dan hoeven wij het niet meer te doen’, vindt Tonkens. Zij ziet genoeg andere redenen om burgers te activeren: “Mensen blijken er heel veel van te leren en zijn daar ook heel enthousiast over. Ze leren organiseren, vergaderen, aanvragen te doen. Maar ze leren ook burgerschapsvaardigheden zoals beter begrijpen wat andere mensen beweegt en nadenken over hoe ze zelf overkomen op anderen. Mensen gaan ook positiever denken over de overheid, blijkt uit verschillende onderzoeken. Daarnaast kunnen burgers vaak dingen die gemeenten niet kunnen, zij weten beter wat er in de buurt leeft en kunnen een project met meer focus en enthousiasme uitvoeren. Tot slot: we zijn nog niet zo lang bezig met burgerparticipatie op deze manier, het moet zich nog bewijzen. Er wordt nog steeds gehoopt op een vliegwieleffect; dat mensen op een gegeven moment andere mensen aansteken en dat zij ook nieuwe dingen van de grond gaan trekken.”

Bron:
Nicis Institute, Marjolein Rotteveel


 

 


09 jun 2011


Zoeken in de website: